back
  • full-image
  • description
thumbnail
Short description Right hand side of a head of a young child that is cut mid saggital. Demonstrates: The oral cavity, the tongue and palatal area and the brain-pan The pia mater, and the supplying vessels to the brains. The better part of the specimen is with a pink complexion. Old number with red paint on the vial, possible 53.
Description Ruysch Half a head of a foetus, cut through vertical (sagittal). Inside can be seen: 1. the true condition of the tongue, the back part and the front as well, as seen from aside. 2. the opening of the canal leading from the palate to the ear, this opening has a fleece the fibers or threads thereof depict a flood or little river, in the middel of which a stop is positioned and the stream is forced to bend to two sides.3. on the cover of the nasal septum are visable the numerous arteries on the part that is not cut away. 4. the porous bones of the nose have a lid through which pass thousands of small arteries. 5.one of the incisors of the lower jaw, cut in lenght, show how its outer part is whitish, the middle part is grey and the third part is coloured a lighter grey. 6. at this age the nasal septum is still cartilage and is joined with coxcomb or caruncle. 7. when the sky is clear one can see small round corpses, called glands 8. also the remains of the skythe-like protrusion, where it is fastened to the coxcomb, and to the inside of the os frontale 9. the glands of the palatum one can see even without the use of a magnifying glass 10. sweathholes in the skin are clearly also visible.
Keywords head of a child in half
Opening UBMO629052012
Number MAE Kunstkamera 4070-261
Number specimen 01.1.04
Wet/Dry wet
Condition good
Provenance Collection Frederik Ruysch, Amsterdam; Museum Imperiale Petropolitanum, Saint Petersburg; Peter the Great's Museum of Anthropology and Ethnography (Kunstkamera) Russian Academy of Sciences, Saint Petersburg
Literature Thesaurus anatomicus primus:.Het eerste anatomisch cabinet van Frederic Ruysch . Amsterdam 1701; Eerste Plank. No. IV. Een half Hooftje van een jongh geboore Kintje, na de lengte in twee deelen verdeelt, waar in gezien kunnen werden Ten eersten. De ware inwendige gesteltheyt des Tonghs, soo wel van des selfs achterste deel, of grond, als van het voorste en uyterste, en dat soo, als men die van ter syde ziet. 2. De openinge of het mondeke des Canaals, die van ‘t verhemelte na het oor gaat, kan men hier bequaamlijk zien, en werd dese openinge bekleet met een vlies, wiens fibertjens of draykens in haren loop seer aardigh verbeelden de vloet van ‘t water in een naauw riviertjen of geute, in wiens midden enigh beletsel geleght zynde, ‘t water gedwongen word zydelyk af te stroomen. 3. Dat het bekleetsel van het tusschen-scheytsel van de Neus, met zeer veel, ja een ontelbaar getal van slag-aderkens verzien is, blykt uyt dit stuksken, ‘t welk na de verdeelinge noch is gebleven. 4. De sponcieuse beenderen van de Neus, zyn van een deksel bekleet, waar door ook duyzende van kleene Slaghaderkens passeeren. 5. Een van de Sny-tanden van de onderste Kaak, na de lenghte geklooft zynde, bevint men uyt drie verscheyde selfstandigheden te bestaan; waar van de buytenste witachtigh is, de middelste graauw, en de derde weder wat lichter graauw van couleur. 6. Dat de Hanekam, in die tijt, geheel en al kraakbeenigh is, als mede het tusschen-scheytsel van de Neus, blijkt hier klaar; ook datse onderlingh met vermenginge van substantie vereenight zijn. 7. Als het seer helder weer is, soo kanmen door de vliesen die de sponcieuse beenderen bekleeden, veele kleene ronde lighaamtjens zien, dewelke kliertkens genaamt worden. 8. Ook de overblyfselen van het seyssen-wijse uytsteek, daar het sich vast maakt aan de Hanekam, en aan de inwendige tafel van ‘t voorhoofts been. 9. De alsoo genoemde Klieren van ‘t Verhemelte komen ons ook wel in ‘t gezighte, al schoon men geen vergroot-glasen en gebruykt. 10. Men kan de sweetgaten van ‘t vel hier ook seer klaar zien.
UBMO629052012