terug
  • beeld
  • beschrijving
thumbnail
Beschrijving kort Tong van een jongen, met het klepje van het strottenhoofd, met ontelbare tepeltjes
Beschrijving Ruysch De tong van een jongen, met het klepje van het strottenhoofd, in zijn natuurlijke kleur. Over de tong zie je ontelbare tepeltjes verspreid, van verschillend uiterlijk en grootte.Lees verder de uitleg bij de 4. Tafel, fig. 6. Frederik Ruysch, Thesaurus anatomicus primus. Het eerste anatomisch kabinet. Amsterdam 1701. Tab. 4, Fig. 6. Bijschrift: Op de zesde figuur zien we de tong van een kind met het strotsklepje;op de oppervlakte van de tong zitten ontelbare tepeltjes, die het werktuig van de smaak zijn. A. De tong. B. De tepeltjes,die er uit zien als kleine paddestoeltjes. Sommige lijken op een boog: Deze heb ik, door een vergrootglas groter laten tekenen dan in het echt. En naast deze tong, zijn tepeltjes te zien die puntig lijken. Deze puntige tepeltjes heb ik hier laten tekenen, aangezien ik ze ook in andere tongen dikwijls als puntig heb waargenomen. C. Een rij van grote tepeltjes, die plat en rond zijn, in ‘t midden voorzien van kleine gaatjes of mondjes, waarom heen een kring loopt. D. Het strottenhoofd is bezet met verscheidene kliertjes. E. Grote tepeltjes aan de onderkant van de tong, onder het strottenhoofd.’
Trefwoord Tong van een jongen
Opening UBMO629052023
MAE Kunstkamera nummer 4070-272
Preparaatnummer 01.2.14
Nat/Droog nat
Conditie goed
Herkomst Collectie Frederik Ruysch, Amsterdam; Museum Imperiale Petropolitanum, Sint-Petersburg; Peter de Grote Museum voor Antropologie en Etnografie (Kunstkamera), Russische Academie van Wetenschappen, Sint-Petersburg
Literatuur Thesaurus anatomicus primus: Het eerste anatomisch cabinet van Frederic Ruysch. Amsterdam 1701; Tweede Plank., No. XIV. De Tongh van een Jonghen, met een klepje van het Strotten-hooft, begaaft met hare natuurlijke couleur, door deselve Tongh siet men ontelbare Tepeltjens verspreyt, van verscheyde gedaante en groote. Ziet verders de uytlegginge over de 4 Tafel, fig. 6. Frederik Ruysch, Thesaurus anatomicus primus. Het eerste anatomisch kabinet. Amsterdam 1701. Tab. 4, Fig. 6. De Sesde Figuur wijst ons aan de Tongh van een Kind met het strotsklapje; in deses Tonghs oppervlakte zitten ontelbaare Tepeltjens, die het naaste werktuygh van de smaak zijn. A. De Tong. B. De Tepeltjens, van gedaante kleene padde-stoelkens gelijkende, onder deze zijnder ontelbaare, dewelke ons booghs-wijse voorkomen: Dese heb ik door een vergroot glas gesien zijnde, grooter laten tekenen als ‘t leven, en dat bezijde dese Tongh, onder die geene, dewelke hier puntigh gezien werden: Dese puntighe heb ik hier ook laten verbeelden, nadien my deselve seer dikwils puntigh voorgekomen zijn in andere Tonghen. C. Een rije van groote Tepeltjens, dewelke plat en rond zijn, in ‘t midden versien van kleene gaatjens of mondekens, rondom deselve loopt ook een kringh. D. Het strotte-hooft met verscheyde kliertjens beset. E. Groote Tepeltjens aan de grond des Tonghs, onder het strotten-hooft.
UBMO629052023