De anatomische preparaten van Frederik Ruysch




Ruysch gaf les aan de hand van preparaten


Walvisborst naast vrouwenborst

Thes. I. TAB. 4. Fig. 1 and 4. De mens was volgens de bijbel wel even wat anders dan een dier, omdat een mens een ziel had en een dier niet. Toch waagde Ruysch zich in zijn kabinet aan vergelijkende anatomie. Ruysch exposeerde de menselijke anatomie dikwijls naast de anatomie van dieren. Er zijn daar heel veel voorbeelden van te noemen. Hij heeft bijvoorbeeld een vrouwenborst vergeleken met een walvisborst en een schapennier met een mensennier en hetzelfde gedaan voor hersenen, in acht afbeeldingen.

Frederik Ruysch demonstreerde de anatomie liever in de praktijk, dan dat hij les gaf uit boeken. Bij hem thuis kon hij de bouw van het menselijk lichaam het hele jaar door demonstreren aan de hand van zijn preparaten.

Naast privéles, gaf hij ook openbare anatomische lessen in het Anatomisch theater, daarvoor gebruikte hij lijken. Deze lessen waren bedoeld voor chirurgijns en als hij een vrouwenlichaam ging anatomiseren, waren ook vroedvrouwen verplicht de lessen bij te wonen. De zomer was voor de ontleding van lijken geen geschikte tijd. Lijken gingen gauw stinken. Er was ook 's winters lang niet altijd een lijk voor Ruysch beschikbaar. Zo vaak kwam het niet voor dat iemand de doodstraf kreeg of zonder familie of verwanten in het gasthuis overleed. Zijn preparaten gaven Ruysch de mogelijkheid collega-artsen, studenten en andere geïnteresseerden bij hem thuis bijzonderheden van de bouw van het menselijk lichaam te laten zien.

Ziektes en afwijkingen

Ruysch bewaarde in zijn kabinetten normale, gezonde anatomie, maar hij had ook enkele preparaten van het zieke en het afwijkende. In Thesaurus Anatomicus VI is nummer 30 bijvoorbeeld een baarmoeder met gezwellen. Soms toont Frederik Ruysch ter vergelijking het zieke naast het gezonde. In hetzelfde cabinet staan bij Nummer 85 en 86 twee zogenaamde `monden van de baarmoederhals' naast elkaar op de plank. Een preparaat van een zeer nauwe baarmoederhals, dat volgens Ruysch de onvruchtbaarheid van de vrouw verklaart, en ernaast een preparaat van een gewoon formaat baarmoederhals.

Nummer 81 is ook een uitzonderlijk preparaat. Het is een fles met een veel te vroeg geboren kindje, een miskraam, van een halve duim (een duim is een oude lengtemaat, de breedte van het bovenste kootje van een mannenduim), ongeveer twee maanden oud, verbonden door een vrij dikke navelstreng aan een flinke moederkoek. Bij dit preparaat schrijft Ruysch in de catalogus een waarschuwing. Als een moederkoek of placenta bij zo een miskraam na twee maanden relatief groot is, komt dat deels door aangekoekt geronnen bloed. Maar, gaat hij verder, een relatief groot formaat moederkoek is geen aanwijzing voor de aanwezigheid in de baarmoeder van een tweede kind. Ruysch waarschuwt studenten medicijnen, dat ze, in een dergelijk geval, om die vermeende tweede vrucht uit de baarmoeder te verwijderen een vrouw geen afdrijvende medicamenten moesten geven.

Jozien J. Driessen van het Reve, historica, Amsterdam