De anatomische preparaten van Frederik Ruysch




De monsters van Ruysch


Een waterhoofdig kind met een stuk van de moederkoek in de handen. Thes. II. TAB. 3. Fig.1.

Ruysch prepareerde geen monsters, maar normale, gezonde anatomie. Toch bezat hij ook enkele exemplaren van niet normale anatomie, zogenaamde monsters. Zijn monsters had hij in zijn kasten op de tweede rij gezet: 'Zodat het niet door iedereen gezien hoeft te worden'.

Een monstrueus kindje stond opgesteld achter een fles met een dun darmpje 'dat erg aardig is om te zien, omdat je de structuur die gelijkenis vertoonde met een netje zo goed kon zien'. Ruysch wilde zijn publiek met het monstrueus kindje 'al is het preparaat wel levendig van kleur' niet afschrikken want 'het handje staat krom en het heeft maar drie vingers, en aan het rechter voetje maar drie tenen, een been ontbreekt en aan de buik zit een vlezig gezwel'. Thesaurus VIII. Preparaat 46.

Niet om te griezelen

In Thesaurus VI, preparaat 52 beschrijft Ruysch een schepseltje ter grote van een flinke vinger met een gespleten gehemelte en een hazenlip. Hij toonde dergelijke monsters alleen op verzoek. Toch vond hij dat zijn eigen monsters afgezien van de misvorming 'bijzonder aangenaam waren voor het oog' en absoluut niet te vergelijken met monsters die je wel kon vinden in andere 'Anatomische Schouwplaatsen'. Hij oordeelde hard over collega's die monsters exposeerden: 'dergelijke preparaten konden beter begraven worden, dan tentoongesteld'. Ruysch zag er niks in om met het tonen van monsters zijn publiek te laten griezelen.

Een straf van God?

In Ruysch zijn tijd geloofden veel artsen nog in oude, 16e eeuwse verklaringen voor de oorzaak van monstrueuze afwijkingen. Als een zwangere vrouw met haar ogen een lelijk of schrikaanjagend object zag, kon het kind in haar buik daardoor in een monster veranderen. Ook in 1680 had Nicolas Malebranche (1638-1715), lid van de Franse Academie van Wetenschappen, nog gemeend dat 'verbeelding' monstruositeiten veroorzaakte. Want de moeder communiceerde via haar zenuwen met de vrucht. Ruysch' Franse collega de arts Joseph-Guichard Duverney (1648-1730), had net als Ruysch een grote collectie preparaten. In een discussie over monsters sloot Duverney niet uit dat zij het gevolg waren van goddelijke wil.

Ruysch echter stelde vraagtekens bij deze interpretaties. In het commentaar op het preparaat van het monstrueuze schepseltje hoor je Ruysch hardop denken over de oorzaak van de monsters. 'Nu men ziet hoe zulke jonge schepseltjes al zulke ongemakken hebben, moet overwogen worden of [het klopt dat] bij grotere kinderen in de moederbuik hun ledematen, die eerst in orde waren, in het lichaam van hun moeder verminkt raakten door schrik of het aanschouwen van een of ander spektakel?' Ruysch stelde alleen de vraag. Hij schreef dat hij een oordeel graag aan anderen wilde overlaten, omdat hij zich heeft voorgenomen alleen dat te beschrijven wat hij in zijn kabinetten kan laten zien. Dat vindt hij veel nuttiger, eindigt hij.

Jozien J. Driessen van het Reve, historica, Amsterdam