De anatomische preparaten van Frederik Ruysch




De prepareerkunst van Frederik Ruysch


Anatomische les van Dr. Frederik Ruysch, 1683 Jan van Neck (ca. 1634-'35 - 1714) olieverf op doek, 141 x 203 cm. Amsterdams Historisch Museum inv.nr. SA 2644.

Omdat een lijk snel verging, stuitten onderzoekers die de werking van het menselijk lichaam wilden leren begrijpen, op grote technische problemen. Rond 1650 kon je een lijk maar een paar dagen gebruiken, genoeg om studenten te onderwijzen, maar niet om ingewikkelde onderzoeksvragen te beantwoorden.

Om verder onderzoek te kunnen verrichten en om anderen hun bevindingen te kunnen tonen, moesten ze hun ontledingen steeds herhalen. Dat was niet efficiënt en ook onaangenaam, omdat er moest worden gewerkt temidden van bloed en de stank van verrotting. Bovendien bestond er een voortdurend gebrek aan materiaal. Maar het voornaamste probleem was dat de ontleder moest opschieten om de ontbinding voor te blijven. Die haast kon leiden tot fouten en misverstanden, zowel bij de ontleding als bij de weergave van de bevindingen.

Sneltekenaars

Tijdens de ontleding moest er snel een tekening worden gemaakt. Wanneer de anatoom zijn bevindingen wilde publiceren kon die tekening vervolgens worden uitgewerkt, gegraveerd en gepubliceerd. Zo brachten ontleders elkaar op de hoogte van hun ontdekkingen. Maar door de snelheid waarmee ze moesten worden gemaakt waren afbeeldingen lang niet altijd duidelijk. Als ontlede lichaamsdelen konden worden bewaard, konden afbeeldingen nauwkeuriger worden en zouden ze bovendien kunnen worden gecontroleerd. Er bestond dus dringend behoefte aan een methode om ontbinding tegen te gaan, om lichaamsdelen te kunnen bewaren.

De ontdekking van alcohol

In de klassieke oudheid was al geprobeerd lijken te bewaren in een conserverende vloeistof, ter vervanging van de weefselvloeistof, maar echt succesvol was die methode nooit geworden, totdat men het probeerde met alcohol. Onder de eersten die met succes gebruik maakten van alcohol waren twee studenten van de universiteit in Leiden: Frederik Ruysch en Jan Swammerdam. Beiden hadden een praktische achtergrond: Swammerdam was opgegroeid in een apotheek en Ruysch was zelf apotheker. Ze ontwikkelden technieken om weefsel in alcohol te conserveren, maar ze bleven zoeken naar nadere oplossingen voor technische problemen in hun anatomische onderzoek.


Inspuiten van een hersenvlies

Witte was

Een van de belangrijkste objecten van onderzoek vormden de vaatstelsels, die bloed en vocht door het lichaam vervoerden. Die konden zichtbaar worden gemaakt door ze te vullen met vloeistof of lucht. In eerste instantie geschiedde dat via koperen buisjes, maar omdat het op die manier eindeloos duurde, had een andere Leidse student, Reinier de Graaf, een spuit bedacht. Hij vulde die met gekleurde vloeistof. Daarmee kon wel de loop van de vaten goed zichtbaar worden gemaakt, maar een met vloeistof ingespoten lichaamsdeel kon niet worden ontleed. Tot Jan Swammerdam daarvoor een oplossing vond. Swammerdam nam, in plaats van de vloeistoffen die tot dan toe waren gebruikt, witte was, die hij verwarmd, in gesmolten toestand, in de vaten spoot. Na afkoeling bleef een permanent preparaat over, dat niet leeg liep als het werd ontleed. Ruysch nam de techniek over en door er verfijningen in aan te brengen slaagde hij er op den duur in om zeer subtiele onderdelen van het menselijke lichaam zichtbaar te maken.

Preparaten tentoongesteld

Swammerdam en Ruysch bewaarden hun preparaten en legden de eerste verzamelingen aan die niet hoofdzakelijk uit beenderen bestonden. De preparaten werden gebruikt voor onderzoek naar de structuur van het lichaam, maar ook leken wilden ze graag zien. De belangstelling was zo groot dat Ruysch naast zijn huis aan de Nieuwezijds Achterburgwal in Amsterdam een tentoonstelling inrichtte, die tegen betaling was te bezichtigen. Bij Ruysch konden bezoekers voor het eerst inwendige organen zien, die dankzij de wasinjecties, hun natuurlijke vorm bezaten. Door de was rood te kleuren hadden de preparaten bovendien een natuurlijke teint gekregen. Voor veel mensen was het een verbijsterende ervaring en de tentoonstelling werd spoedig een attractie.

Catalogus

Halverwege de jaren tachtig verhuisde Ruysch naar de Bloemgracht, waar hij een heus anatomisch museum inrichtte. Zijn publiek bestond uit verschillende categorieën. Er waren bezoekers voor wie het museum vooral gold als een merkwaardige attractie. Dergelijke bezoekers liet hij entreegeld betalen. Ze werden rondgeleid door een van zijn dochters. Medici hadden gratis toegang en konden door Ruysch zelf worden geïnformeerd. Voor medici die zich echt in de anatomie wilden verdiepen gaf hij colleges, waarbij zijn collectie als lesmateriaal diende. Hij liet voor de bezoekers een tweetalige catalogus drukken. Geleerden en buitenlandse bezoekers konden de Latijnse versie gebruiken, de overige bezoekers de Nederlandse. Zijn collectie vulde tien grote kasten, 'kabinetten', en een aantal kleine kastjes.


Deze partjes penis zijn door Ruysch geprepareerd voordat hij ze liet tekenen

Ongeboren vruchten

De verschillende functies die Ruysch uitoefende leverden allemaal materiaal op. Sommige lichaamsdelen waren afkomstig van de ter dood veroordeelden die hij als onderwijzer van de chirurgijns had mogen ontleden. Andere had hij bemachtigd als vroedmeester of als gerechtsarts, of als docent van de vroedvrouwen. Hij had de beschikking over ongeboren vruchten die waren geaborteerd en over lijken uit het gasthuis; hij bezat lichaamsdelen van foetussen die na een miskraam ter wereld waren gekomen, van kort na de geboorte gestorven baby's, van vrouwen die na een bevalling waren gestorven, en van mensen die door een ongeluk waren omgekomen. Hij verzamelde embryo's in alle stadia van groei. In het museum van Ruysch konden de bezoekers de ontwikkeling volgen van schepsels ter grootte van een zandkorrel tot voldragen baby's. Andere ontleders probeerden allemaal zijn preparatietechniek te imiteren, maar niemand bereikte dezelfde subtiliteit. Niemand besteedde ook zoveel aandacht aan de presentatie.

Op zoek naar perfectie

Tegen het einde van de zeventiende eeuw wist Frederik Ruysch, met hulp van zijn zoon, zijn preparatiemethode te perfectioneren, waardoor, liet hij weten, het mogelijk was geworden dat 'geheele menschen met alle hare ingewanden veele eeuwen, en mogelijk voor altoos, soo ik meen, sonder bedervingh sullen konnen bewaard worden'. Bij het prepareren ging het erom een stof te injecteren die pas stolde als hij was doorgedrongen in de allerkleinste vaatjes. Met vloeibare was kon je een heel eind komen, maar niet zover als Ruysch zou willen. Hij was daarom voortdurend op zoek geweest naar een stof waarmee het nog beter zou gaan. Hij had bovendien allerlei technieken geprobeerd om ervoor te zorgen dat de ingespoten stof zo ver mogelijk in het weefsel doordrong. Hij overgoot een lichaamsdeel dat hij wilde inspuiten bijvoorbeeld eerst urenlang met warm water. Maar de verbetering zat hem vooral in een nieuwe injectiestof, waarmee hij er in slaagde de allerkleinste vaatjes te vullen en hij deed daardoor allerlei nieuwe ontdekkingen.


Ruysch spande dit preparaat met pennetjes op een plank om zijn ingespoten vaten te tekenen

Net als levend

Door ze in te spuiten met zijn nieuwe stof kon Ruysch lichaamsdelen zo prepareren dat hun uiterlijk nauwelijks verschilde van het uiterlijk in levende staat. De meeste preparaten bewaarde hij in het vervolg in glazen potten en flessen, in een bijzondere heldere vloeistof, zijn 'liquor balsamicus'. Daarin behielden ze niet alleen hun levensechte kleur, maar bleven ze bovendien soepel en buigzaam. Dat was het voornaamste verschil met de methode van conserveren waarmee hij was begonnen. Dat was een methode waardoor 'de voorwerpen wel steenhard en onvergankelijk worden, edog sij veranderen veel van couleur en gesteltenisse'.

Tovenarij en trucs

Toen Ruysch de resultaten van zijn techniek voor het eerst liet zien sprak men erover alsof het om toverij ging. Bezoekers van zijn museum en toeschouwers bij zijn lessen spraken steevast hun bewondering en verbazing uit. Maar er heerste ook ongeloof. Sommigen meenden dat Ruysch bedrieglijke trucs hanteerde om zijn preparaten mooier te doen lijken. En er klonk kritiek op de manier waarop Ruysch zijn anatomische materiaal presenteerde. Waartoe diende al die opschik? 'Ik doe het om den mensch alle afkeer te benemen, die dog van natuure anders gewoon is een schrik te hebben voor dode menschen', legde hij uit.

Beter dan een microscoop

Ruysch wilde door toepassing van zijn nieuwe techniek de kennis omtrent de structuur van de organen vermeerderen. Sinds men was begonnen met anatomisch onderzoek in menselijke lichamen, waren langzamerhand alle delen van het lichaam beschreven en afgebeeld die voor het oog waarneembaar waren. De microscoop had de mogelijkheden van het oog enigszins opgerekt. Ruysch dacht dat je met zijn methode meer te zien kreeg dan met een microscoop, en dat was vaak inderdaad zo, maar het beeld werd ook wel enigszins vertekend door het spoelen van het preparaat in water (waardoor weefseldeeltjes oplosten) en doordat de ingespoten stof uit de subtielste vaatjes liep. Uiteindelijk bleek het lichaam natuurlijk nog veel subtieler en ingewikkelder in elkaar te zitten dan Ruysch ooit had kunnen dromen.

Luuc Kooijmans, historicus, Utrecht