De anatomische preparaten van Frederik Ruysch




Religieus taboe op snijden in lijken hinderde anatomisch onderzoek


Titelplaat uit Vesalius, De bouw van het menselijk lichaam (1543) (detail)

De ontwikkeling van de anatomie is vanaf het begin door religieuze voorschriften bemoeilijkt. In Griekenland, in de Klassieke Oudheid gold het als een grote zonde de doden niet in de aarde te begraven, het openen van dode lichamen was ondenkbaar. De Romeinen dachten er net zo over.

In Rome had men er geen probleem mee het leven van duizende slaven te offeren om de toeschouwers in het Circus te laten genieten bij hun Gladiatoren-gevechten. Maar het openen van de lijken van deze slaven voor wetenschappelijke doeleinden beschouwde men als godslastering.

Galenus

Zelfs Galenus (Claudius Galenus 131-201) een beroemde arts van Griekse afkomst en vooraanstaand anatoom van het Romeinse Rijk, sneed alleen dieren open. Hij gebruikte vooral honden en apen om medische feiten vast te stellen. Omdat hij in Rome geen lijken van mensen ter beschikking kreeg, ging hij naar Alexandrië. Daar kon hij een volledig menselijk skelet bekijken.In Alexandrië bevond namelijk zich niet alleen een rijkgevulde bibliotheek maar ook een museum met verzamelingen planten en dieren en zowaar een anatomisch theater. Galenus gaf als een der eersten beschrijvingen van de bouw en de werking van het menselijk organisme. Zijn geschriften op basis van vivisectie leverden zo'n uitgebreide kennis op over de rol van het ruggemerg dat het tot de 19e eeuw als leidraad voor artsen diende. Galenus beweerde dat de bouw van het menselijk lichaam volmaakt was.

Anatomie verboden door de kerk

De heersende kerk van Rome nam deze gedachte over. Dit leidde ertoe dat tot na de middeleeuwen snijden in het menselijk lichaam verboden bleef. In plaats daarvan won in Europa de theorie terrein dat de mens - de microkosmos - volgens hetzelfde schema is gebouwd als de rest van de natuur - de macrokosmos. De delen en organen van de mensen hingen samen met met de sterrenhemel, met sterrenbeelden. Aan de middeleeuwse centra van wetenschap, de universiteiten in Salerno, Parijs, Bologna, Oxford, Cambridge en Padua, werden de reglementen door de katholieke kerk bepaald en deze verbood het snijden in menselijke lichamen. Langzaam maar zeker kwamen nieuwe, wereldlijke en realistische tendenzen naar voren. Frederik II, de keizer van het Heilige Roomse Rijk die tegen de paus gestreden had, gaf in 1231 toestemming om eenmaal in de vijf jaar te snijden in menselijke lijken. De paus dreigde in 1300 nog met zware straffen voor wie dit deed, maar niettemin werd het snijden in lijken onderdeel van het anatomie-onderwijs.


Vesalius kon in Leuven alleen illegaal aan skeletten komen. Plaat uit Vesalius, De bouw van het menselijk lichaam (1543)

Venetië doorbreekt de ban

De universiteit van Padua verwierf zich een prominente plaats in het vak. De universiteit was in de 13e eeuw door geleerden gesticht die uit de pauselijke gebieden of uit Spanje voor vervolging gevlucht waren. Onder bescherming van de Italiaanse stadstaat Venetië mochten artsen vanaf 1490 mensen opensnijden om te onderzoeken hoe het menselijk lichaam in elkaar zat. Toen kon in Padua het eerste anatomische theater van hout gebouwd worden. De ontledingen waren openbare aangelegenheden en trokken veel belangstelling. Artsen uit verscheidene landen reisden naar Padua om te studeren en les te geven. In de periode 1100-1500 werden Galenus'werken van het Arabisch in het latijn vertaald, onder andere door Vesalius (1514-1564) een arts uit Brussel. Pas in 1543 was de kennis van het menselijk lichaam weer op het niveau van de tijd van de Grieken en Romeinen. Vesalius schreef in Padua zijn meesterwerk De bouw van het menselijk lichaam (1543) waarin hij liet zien dat Galenus het op veel punten bij het verkeerde eind had omdat hij de anatomie van apen, varkens en honden had beschreven.


Plaat uit Vesalius, De bouw van het menselijk lichaam (1543)

Nietigheid van het bestaan

Later verloor de Italiaanse anatomische school haar dominante positie en werd opgevolgd door de Nederlandse school. Anatomisch onderzoek van lijken was in Nederland sinds 1555 wettelijk toegestaan. In 1597 richtte de Nederlandse professor Peter Pauw (1564-1617)in Leiden een anatomisch theater in, dat met skeletten van vogels, dieren, mensen en latijnse spreuken zoals 'de dood is de grens van alle waarheden' gedecoreerd was. Voor de openbare secties werden de lijken van misdadigers gebruikt. De gang van zaken bij de sectie leek soms op een feestelijk spektakel. In Leiden hielden opgestelde skeletten leuzen vast die het publiek doordrongen van de nietigheid en vluchtigheid van het bestaan, ideeën die voor het calvinisme en de barokperiode zo kenmerkend waren. Het theater werden niet alleen voor anatomische lessen benut, maar deed ook dienst als museum, lectorium en een plaats voor discussies en experimenten. Heel beroemd waren de voorstellingen die de Frederik Ruysch in Amsterdam gaf. Hij gaf dertig jaar lang anatomische lessen in het Anatomisch theater, die niet alleen door artsen en geleerden uit talloze Europese landen werden bijgewoond, maar ook door diplomaten en edelen. Het Anatomische theater werd een typisch cultuurverschijnsel van de 17e eeuw. Soortgelijke theaters werden in die tijd ook gebouw in Kopenhagen, Uppsala en andere Europese steden.

Eerste anatomisch theater in Rusland

De eerste kennismaking van Russen met een anatomisch theater vond plaats in 1697-1698, tijdens de eerste reis naar Europa van Peter de Grote met het Grote Gezantschap. Ze bezochten het anatomisch theater in Leiden. Later woonde de tsaar lezingen bij over anatomie, nam les bij Frederik Ruysch. Peter de Grote kon de voor Rusland nieuwe wetenschap op waarde schatten als grondslag voor de chirurgie. Daarom werd in Moskou dankzij een decreet van de tsaar, vlakbij het in 1706 geopende hospitaal, het eerste Russische anatomisch theater gesticht, dat onder leiding kwam te staan van de daartoe uitgenodigde Nederlandse arts Nicolaas Bidloo (1670-1735). Peter de Grote was zelf vaak bij de secties aanwezig en verstond de kunst zelf systematisch lichamen te ontleden.

Anna Radzjoen, conservatrice Anatomische collecties, Kunstkamera, Sint-Petersburg