De anatomische preparaten van Frederik Ruysch




De Ruysch preparaten in Rusland


Kunstkamera, gebouwd voor oa de Ruysch collectie in 1719

De Russische tsaar Peter de Grote maakte bij zijn eerste bezoek aan Amsterdam kennis met Frederik Ruysch. Hij werd ontvangen in het huis van Ruysch en bekeek zijn preparaten. Jaren later besloot hij om de hele collectie preparaten van de anatoom aan te schaffen. Zo kwam de Nederlandse verzameling in augustus 1718 in Rusland terecht in het eerste Russische museum, de Kunstkamera, waar zij nu al 300 jaar bewaard wordt.

Na de dood van Ruysch ontstonden er talrijke legendes. Zo is er een verhaal dat de collectie bij het transport naar Rusland verloren is gegaan. Maar dat is een zuiver verzinsel. Ook is er een mooi sprookje over hoe Peter het gebalsemde lichaam van een jongetje kuste.


Ruyschpreparaten in de Kunstkamera vóór de brand van 1747

Sommige preparaten bedierven

Frederik Ruysch gaf hoog op van zijn vaardigheid te balsemen. Zijn preparaten verkregen echter na verloop van tijd een vollere kleur, waarna, in een volgende stadium, ze donker werden en bedierven. Dat beschreef Voet in 1794 nadat hij in Petersburg was geweest. De omstandigheden waaronder de preparaten werden bewaard, waren niet altijd even gunstig en dit miste hun uitwerking niet. In 1747 brak er een grote brand uit in de Kunstkamera, waarna het gebouw gedurende 19 jaar gerestaureerd werd. Dat was een grote, en helaas niet de enige beproeving voor de preparaten, die de brand hadden doorstaan.

Liefdevolle zorg voor collectie

De meeste conservatoren van de Kunstkamera zorgden goed voor de anatomische collectie, onder wie J.G. Duvernois, Josias Weitbrecht, A. Kaau-Boerhaave, de eerste Russische gepromoveerde medicus A.P. Protasov, de bekende embryoloog K.F. Wolff en de grote natuurvorser uit de eerste helf van de 19e eeuw Karl E. von Baer. Zij bemoeiden zich meestal niet persoonlijk met het conserveren van de preparaten, maar lieten dit over aan hun medewerkers.

Flessen en vloeistof vervangen

In 1732 kwam Andrej Grekov in de Kunstkamera werken. Zijn naam dook al eerder in het archief van de Academie op, als tekenaar. Hij kreeg tot opdracht 'op de Kunstkamera te passen en de curiosa te conserveren', maar hij moest ook tekeningen maken en 'de alcohol vervangen en zo meer'. Grekov heeft in 1740 'in de Kunstkamera 87 flessen bijgevuld en van 5 flessen de alcohol ververst'. Het bijvullen en vervangen van de conserveringsvloeistof van de preparaten gebeurde regelmatig. Indien nodig, werden ook flessen die gebarsten waren, vervangen. Het klopt dan ook niet, dat alleen Karl von Baer alle flessen van de Ruysch collectie heeft vervangen. Volgens de archiefstukken kocht Baer 120 flessen, terwijl conservator doctor Schultz het uitvoerende werk verrichtte.

Planten en dieren verwijderd

Wist K.F. Wolff welk waardevol materiaal hij opensneed voor zijn publikaties over embryonale groei? Hij maakte van de preparaten die overbleven een, onvoltooide, nieuwe catalogus met een letter voor de afdeling en een cijfer voor de plaats in de afdeling. Na hem brak er eind 18e eeuw een heel moeilijke periode aan voor de collectie. Tien jaar lang was er geen conservator. Pas in 1805 werd de arts professor Zagorski aangesteld. Hij bleef veertig jaar aan het museum verbonden. Zijn belangstelling ging uit naar de teratologie, de wetenschap van aangeboren afwijkingen, maar hij lette ook op de toestand van de preparaten. Hij constateerde dat het aantal preparaten, vergeleken met de catalogus van de collecties (MIP 1, I gedrukt in Sint-Petersburg in 1742), verminderd was (er ontbraken 440 preparaten), terwijl 50 preparaten helemaal bedorven waren en afgeschreven moesten worden. Om iets wat wij nu heel jammer vinden prijst zijn biograaf hem juist. Zagorski 'had waar in een fles een anatomisch preparaat samen met een dier of een plant' in de fles had gezeten 'opgeruimd'.


De Kunstkamera tijdens het Beleg van Leningrad

De Kunstkamera tijdens het Beleg van Leningrad

De opvolgers van Zagorski deden moeite de preparaten te behouden, maar leden desondanks verliezen. De ergste beproeving voor zowel de collectie als voor de conservatoren was de Tweede Wereldoorlog. Toen deze in 1941 uitbrak, maakte men de collectie gereed voor evacuatie, maar de Duitsers naderden Leningrad zo snel dat het niet lukte om de objecten te evacueren. De collectie werd op de begane grond, onder de gewelven neergezet. Al op 18 oktober 1941 viel een brandbom op de toren van het gebouw, granaatscherven van het artilerrievuur verwoestten het dak, muren en ramen. Medewerkers verhuisden naar het museum om de veiligheid van de collecties permanent te bewaken en puin te ruimen.




De eerste oorlogswinter was extreem koud. In januari bevroor de waterleiding, de verwarming en het riool deden het niet. Tweemaal brak er brand uit in de toren en de medewerkers blusten deze met water dat ze uit de Neva haalden na een gat in het ijs te hebben gehakt. Ze gaven emmers aan elkaar door tot in de nok van het gebouw. De winter van 1941-42 was de zwaarste periode van de blokkade. Mensen kregen slechts 200 gram brood per dag. 33 medewerkers kwamen om van de honger en ziekten door ondervoeding.


Conservatrice Ruysch preparaten Maria Davidovna Toren

Bivak in de Kunstkamera

In de zomer van 1942 werden de medewerkers die de winter hadden overleefd, geëvacueerd. In de stad onder blokkade bleef een klein groepje achter. Een van hen was Maria Davidovna Toren, een kleine tengere vrouw, met wie ik kennismaakte toen ik in de Kunstkamera ging werken. Zij herinnerde zich hoe zij in de oorlogsjaren de preparaten moest spoelen, omdat als gevolg van de kou witte vlokken in de conserveringsvloeistof verschenen. Ze was bang dat de kostbare preparaten daar kapot van gingen. Wat een ongelooflijke toewijding en volharding hadden deze mensen!

Al in 1944 begonnen de herstelwerkzaamheden en in de zomer van 1945 kon het museum bij zijn 220-jarig bestaan vier tentoonstellingen openen, ook de anatomische preparaten van Ruysch stonden in de afdeling oude verzamelingen tentoon.

Conservator Wolf Ginzburg inventariseert

Wolf Ginzburg, nam nadat hij van het front teruggekeerd was, de zware taak op zich om de collectie te inventariseren. Hij was anatoom, hij restaureerde de unieke verzameling en maakte korte beschrijvingen van de preparaten. Vanzelf zorgde dit ervoor dat Ginzburg de geschiedenis van de collectie en het werk van Ruysch diepgaand bestudeerde. Het vond zijn neerslag in de studie 'De anatomische verzameling van F. Ruysch in de collecties van Peters Kunstkamera', die een blijvende bron van kennis is voor zowel Russische ala buitenlandse specialisten. In de lijst van Ginzburg staan 935 nummers, waarvan er zoals hij schrijft 'hooguit twintig preparaten niet door Ruysch zijn gemaakt, maar door de eerste anatomen van de Academie van Wetenschappen.'


Wim Mulder sluit een Ruysch preparaat luchtdicht af met tixophalt

Preparaten op reis

In 1988 kreeg de Kunstkamera via het ministerie van buitenlandse zaken het verzoek met preparaten deel te nemen aan de tentoonstelling 'Over de geschiedenis van de betrekkingen tussen Rusland en Nederland (1600-1917)' georganiseerd door de twee landen, in het Rijksmuseum. Daarna reisde de preparaten vaker en kon Europa zien dat de collectie Ruysch niet verloren was gegaan. Er volgden ontmoetingen met conservatoren en hun anatomische collecties in Leiden, Utrecht en Groningen. De Utrechtse specialist Willem Mulder reisde regelmatig naar Petersbursg om voor ons nieuwe conservatietechnieken te demonstreren en toe te passen.

Anna B. Radzjoen, conservatrice van de Anatomische collecties in het MAE de Kunstkamera