De anatomische preparaten van Frederik Ruysch




Ruysch, een verlichte wetenschapper


Thes. VII. TAB 3. Fig. 6 een takje met een vlies uit eigen bloed toebereid na een aderlating


Een armpje, omwonden met een doek met franje, laat een soort vel zien dat Ruysch zelf heeft gemaakt van varkensbloed, door het bloed langzaam rond te roeren. De fles gevuld met vocht heeft Ruysch afgedekt met een stuk mensenhuid, dat het deksel mooi rood kleurde. De adertjes had hij opgespoten met rode was. 'Zulks is niet alleen aangenaam om te zien, maar is ook nuttig, voor wie de loop dezer Slag-aders nauwkeurig nazien wil'. Thes. I. TAB. 2.

De onderzoeker Frederik Ruysch gebruikte methoden die kenmerkend waren voor de 'Nieuwe Wetenschap' en de 'Verlichting'. Als je bladert door de gidsjes van zijn preparaten, zijn Thesauri Anatomici, kan je zo een aantal voorbeelden aanwijzen die bewijzen dat Frederik Ruysch een beoefenaar van de Nieuwe Wetenschap en een Verlicht medicus was.

Francis Bacon als baken

'Nieuwe wetenschap' kwam te staan tegenover 'oude wetenschap' van de Griekse filosoof Aristoteles. (De oude wetenschap van Aristoteles bleef nog heel lang de wetenschap van de Katholieke Kerk.) Waar Aristoteles al redenerend verklaringen gaf voor natuurkundige verschijnselen, stelde de Engelse staatsman en filosoof Francis Bacon (1561-1626) voor om een andere weg in te slaan en controleerbare experimenten uit te voeren. Daartoe bepleitte hij een internationale organisatie van de wetenschap. Onderzoekers moesten zoveel mogelijk feiten verzamelen en onderling uitwisselen om pas in een later stadium daar conclusies uit te hoeven trekken.

Francis Bacon was al 12 jaar dood toen Frederik Ruysch geboren werd, maar zijn onderzoeksprogramma bleef uitdagend. Ook Ruysch voerde een van de punten van Bacons programma uit zoals te lezen in Francis Bacon, The advancement of learning [1605]. Second book, X.5. Hij onderzocht in dode lichamen, in welke soorten holtes lichaamsappen werden getransporteerd en waar ze werden bewaard.

Verlichting tegenover duivel en geloof

'Verlichting' staat tegenover duisternis en onwetendheid. Een van de nieuwe inzichten van de Nederlandse Vroege Verlichting was dat je de werkelijkheid alleen kon leren kennen door het bestuderen van die werkelijkheid zelf. Met deze methode konden angsten (bijvoorbeeld voor de duivel) en geloof (bijvoorbeeld in een leven na de dood) afnemen en kon kennis toenemen. Daartoe moest je gebruik maken van je eigen verstand. Met de rede, altijd gebaseerd op waarnemingen, als gereedschap kon je alle oude waarheden toetsen en zo nodig ter discussie stellen.

Deze nieuwe manier van denken sprak veel artsen aan. Ruysch kende geen gewicht toe aan overgeleverde methoden en technieken in de medische wetenschap. Hij riep collega's op toch vooral op hun eigen ogen te vertrouwen: Leer zelf te kijken en leg de verouderde handboeken en de hooggeschatte Ouden (de schrijvers over de medische wetenschap uit de klassieke oudheid) opzij.

Houdbare bewijzen

Ruysch publiceerde sinds 1696 over nieuwe, door hem ontdekte zaken, die je ook bij hem thuis kon gaan bekijken, omdat hij een methode uitgevonden had, waardoor de lichamen van mensen na hun dood, weer levend leken. Hij gebruikte preparaten 'omdat die meer tonen dan afgestorven lichamen'. In een lijk zakten organen in, bij zijn preparaten zorgde hij dat organen hun vorm behielden. Bij zijn publicatie voegde hij vaak een afbeelding van zijn preparaat bij om zijn nieuwe inzicht te verduidelijken.

Kom en kijk

In Thesaurus VI beschrijft Ruysch hoe collega's zijn belangrijkste uitvinding in twijfel trokken, namelijk dat hersenschors bestaat uit vaatjes, en beslist niet uit kliertjes. Kom en kijk schrijft Ruysch naar 'een stukje van de schorsige substantie van de hersenen van een mensch, dewelke t'eenemaal uyt bloet-vaatjens is bestaande'. Wie twijfelt, het geloof kan hij hen niet geven, maar 'wel het gesigt daarvan, laat een yder tot my komen, als het een heldere dag is, niemand word het beschouwen daarvan geweigert'.

Ruysch gebruikte dus eerst de schrijfpen maar daarnaast ook de tekenpen om collega's te overtuigen. Voor wie hem dan nog niet geloofde, stelde hij zijn huis open om zelf te komen kijken. Het preparaat diende dan tot bewijs.

Ruysch gaf fouten makkelijk toe

Toen de Britse arts William Harvey(1578-1657) in 1628 zijn beschrijving van de bloedsomloop presenteerde, die alle vroegere theorieën omverwierp, en dus zijn collega's voor gek zette, sprak hij in de inleiding deze collega's bezwerend toe. Het was een deugd om je eigen inzichten te herzien. Dat was niet dom maar wijs, verzekerde hij hen. Ruysch, zou je kunnen zeggen, had zich deze bemoedigende woorden van Harvey ter harte genomen. Hij had er geen moeite mee om eerdere veronderstellingen terug te nemen. Op meerdere plaatsen in zijn Thesauri geeft Ruysch vroeger gemaakte fouten toe. Hij wijst de lezer op foute aannames en beweringen en zet ze recht. In Thesaurus VI bijvoorbeeld, preparaat nummer 81 en 120 geeft hij toe dat de moederkoek kleiner was geweest dan eerder beweerd. Hij was er achter gekomen dat het geen grote moederkoek was geweest, maar geronnen bloed dat maakte dat de koek groot leek.

Bijgelovige vroedvrouwen

Niet alleen discussieerde Ruysch met collega's, maar ook met vroedvrouwen in de ban van bijgeloof. Vroedvrouwen kenden bovennatuurlijke krachten toe aan het donkerkleurig monstertje dat je soms levenloos kon aantreffen in de baarmoeder van kraamvrouwen. Ruysch echter zocht als verklaring voor het griezelige gedrochtje naar natuurlijke oorzaken. In zijn collectie Thes. VI, 67 bewaarde Ruysch een klein moederkoekje, in de vorm van een peer, een vreemd gevormde bloedklomp waarvan, zo schrijft hij, mensen die onkundig zijn, zeggen dat het een 'zuiger' is, een vliegend object, een monster, dat bij kraamvrouwen de schede binnen vliegt. Ruysch prepareerde nog meer 'zuygers': Thes. VI, 98 en Thes. XI, 31 en Thes. XI, 198 waren ook zuigers.

Ruysch maakt zijn eigen 'zuigers'

Om zijn bewijs kracht bij te zetten, fabriceerde Ruysch zulke 'zuigers' uit zijn eigen bloed. Hij beschrijft hoe hij het bloed roerde met een takje in vocht, en hoe tussen die tak met blaadjes, het bloed goed kon stollen tot een vliesachtig wezen. Ruysch maakte meerdere preparaten van zijn eigen bloed, zoals ook in Thesaurus VII, 39 te zien is waar hij opmerkt: 'Als men ziet hoe bloed dat buiten zijn vaten is geraakt vervormt, dan is het niet te verwonderen dat bloed in de schede of in de baarmoederhals, na enige uren, dik en taai is geworden. Ja, hierdoor zijn sommigen zo bedrogen geworden, dat ze ons, op die wijze samengeklonterde stoffen, voor monsters willen opdringen', aldus Ruysch.

Jozien J. Driessen van het Reve, historica, Amsterdam