De anatomische preparaten van Frederik Ruysch




De versieringen in de collectie van Frederik Ruysch

Ruysch versierde ter overpeinzing en verwondering


Rotslandschap met nier-, blaas- en galstenen Thes. III. TAB. 3. Prent: Cornelis Huyberts.

Was Fredrik Ruysch wetenschapper of vooral kunstenaar? Dat is een vraag die je kunt stellen als je zijn preparaten bekijkt. De anatoom presenteerde zijn bezoekers een even fraai als leerzaam schouwspel.

Hij maakte speelse combinaties van zijn preparaten, zoals een kinderhoofdje dat rustte op een placenta als hoofdkussen of een afgezet handje met een passiebloem tussen de vingers. Menig babyhoofdje en kinderarmpje voorzag hij van kraagjes, kapjes en manchetten van fijn kant en damast. Beroemd zijn ook de rotslandschappen die hij creëerde van nier-, blaas- en galstenen. De stenen vormden een berg die hij versierde met skeletten van foetussen en met opgespoten aderen als bomen.


Kinderarmpje met stuk baarmoeder en stuk zaadbal. Thes. IX. TAB. III. Fig. 1. Prent: Jan Mulder.

Wetenschapper of kunstenaar?

De vraag of Ruysch nu vooral kunstenaar of wetenschapper was, is uit historisch oogpunt eigenlijk niet zo relevant; de vraag zou bij Ruysch en zijn bezoekers nooit zijn opgekomen. De versieringen werden zeker als bijzonder gezien, maar niet als merkwaardig, bizar of onwetenschappelijk. In de tijd van Ruysch werd er nog geen scherp onderscheid gemaakt tussen de 'kunstzinnige' en 'wetenschappelijke' aspecten van een verzameling op de manier waarop wij dat nu doen. Het was juist gebruikelijk om het leerzame met het aangename te combineren. Sterker nog, een verzamelaar had zelfs de taak om zijn bezoekers een mooi tafereel te presenteren en Ruysch wist zich als geen ander van deze taak te kwijten.

Ruysch bracht de dood tot leven

Ruysch heeft het dikwijls over zijn 'konst', maar daarmee bedoelt hij zijn prepareer'kunst'. Door zijn nieuwe methode was hij in staat minuscule haarvaatjes op te spuiten en terug te brengen in hun natuurlijke toestand. Zo behoedde hij zijn anatomische zaken niet alleen voor verval, maar gaf ze zelfs een levende aanblik: het bloed leek er nog doorheen te stromen. Babyhoofdjes wist hij een stralende blos op de wangen te geven. Voor de anatoom was het een logische volgende stap om een preparaat verder te verfraaien. Pas in de loop van de achttiende eeuw zouden deze praktijken als 'onwetenschappelijk' te boek komen staan en kregen de bijzondere creaties van Ruysch een bizar tintje.

Versieringen waren de blikvangers

Overigens moet het aandeel van de opgeschikte preparaten niet overdreven worden. Slechts twaalf procent van de preparaten was voorzien van extra versieringen; het overige deel zou in een moderne anatomische collectie niet misstaan hebben. Dit neemt niet weg dat de decoraties als belangrijke blikvangers fungeerden. Zij becommentarieerden de verzameling als geheel en stuurden als het ware de blik van de bezoeker. Ze riepen verschillende beschouwende gedachten op. Deze gedachten konden twee richtingen op gaan.

Zeis en zakdoek

Op de eerste plaats nodigden de tafereeltjes met kleine skeletten bezoekers uit om na te denken over de eindigheid van het menselijk bestaan. De foetussen op de rotsen hielden voorwerpen vast die verwezen naar de vergankelijkheid van het leven, zoals de zeis naar de dood of een zakdoek naar smartelijk verlies. Zij waren voorzien van passende opschriften: 'Ach, noodlot. Ach, bitter noodlot!' en 'Gelijk een bloem des velds ben ik schielijk opgegaan en wederom weggerukt'. Dergelijke symbolen waren bekend bij bezoekers en werden ook gebruikt op schilderijen uit die tijd.


Skeletje met zakdoek gemaakt van menselijk buikvlies. Thes. VIII. TAB. 1. Detail. Prent: Cornelis Huijberts.

'Goddelijk borduurwerk'

Op de tweede plaats stimuleerden de versieringen de verwondering die bezoekers voelden als zij oog in oog stonden met de fascinerende structuur van het menselijk lichaam. In het kabinet kon men zich vergapen aan de kleinste details. Dit riep bij velen verbazing op en, in het verlengde hiervan, ontzag voor de Schepper. Treffend drukt Ruysch deze gedachte zelf uit wanneer hij het zakdoekje beschrijft waarmee één van de foetussen zijn tranen lijkt te drogen. Dit doekje had hij 'kunstig' geprepareerd van een flinterdun deel van het menselijke buikvlies. In het vlies liepen ragfijne rode bloedvaten die tezamen 'een waarachtig borduursel zeer aardig komen te verbeelden'. Het doekje deed Ruysch denken aan psalm 139 waarin beschreven wordt hoe de Schepper op ondoorgrondelijke wijze het menselijk lichaam als een goddelijk borduurwerk gemaakt had.

De verfraaiingen die Ruysch aanbracht ondersteunden dergelijke gedachten. In het kabinet vloeiden anatomische kennis, religieus-moraliserende gedachten en een aangenaam schouwspel moeiteloos samen. Dit harmonieuze samengaan is een kenmerkende eigenschap voor de vroegmoderne verzamelingen. Ruysch' kabinet was een ode aan het menselijk lichaam in al zijn facetten, het kroonstuk van de schepping.

G.M. (Bert) van de Roemer, kunsthistoricus, Universiteit van Amsterdam