De anatomische preparaten van Frederik Ruysch




Frederik Ruysch schoolde de vroedvrouwen


Anatomische les van Prof. Frederik Ruysch, 1670 Adriaen Backer (ca. 1630-'32 - 1684) olieverf op doek, 168 x 244 cm. Amsterdams Historisch Museum inv.nr. SA 2000

Ruysch was in 1667 naar Amsterdam gehaald om anatomische lessen te geven aan chirurgijns. Hij wilde ook vroedvrouwen bijscholen.

In Amsterdam werden 6.000 kinderen per jaar geboren. De stad telde 200.000 inwoners. Als er een kind geboren moest worden, riep de moeder een van de ongeveer 140 vroedvrouwen om de bevalling te begeleiden. Soms was hulp van een vroedmeester nodig. Een vroedmeester was een chirurgijn die verstand had van verloskunde: hij kon een moeder verlossen van haar vrucht. Amsterdam telde meer dan 200 chirurgijns. Daarvan werkten er 6 tot 10 ook als vroedmeester. Om chirurgijn te kunnen worden moest je examen doen. Chirurgijns of heelmeesters werden opgeleid in het meester-gezel systeem. Je liep een aantal jaren mee met een gevestigd chirurgijn. Je kreeg als het een beetje meezat ook enkele lessen. Ook vroedvrouwen werden opgeleid in het meester(es)-gezel systeem maar voor hen was er nog geen examen.

Exameneisen voor vroedvrouwen


Frederik Ruysch. Prent door Jurriaan Pool (1665/1666-1745) naar zijn schilderij van 1694, 1702.

Vroedvrouwen wisten weinig van anatomie vond Ruysch. Hij vroeg het stadsbestuur om een examen verplicht te stellen voor alle vroedvrouwen. En dat lukte. Al in 1668 wordt een wet van kracht. Ook vroedvrouwen, die al werkzaam waren, moesten examen doen. Je kreeg een hoge boete als je niet meedeed aan dat examen. Dat hielp, want al meteen in 1668 slaagden 134 vroedvrouwen voor het examen en konden worden geregistreerd. Ruysch wordt daarna, in 1672, benoemd tot stadsvroedmeester. Hij moet assisteren bij moeilijke bevallingen van arme mensen. Hij moet ook onderwijs geven aan de leerling-vroedvrouwen. Amsterdam was zijn tijd vooruit, want alle vroedvrouwen, die minder dan tien jaar werkzaam waren, moesten de lessen van Ruysch volgen.

De vroedmeester en het geheime instrument

De vroedvrouw moest goed weten, wat ze zelf kon doen en wanneer ze een vroedmeester om hulp moest vragen. Zo kan het gebeuren, dat het hoofdje van het kind al bijna zichtbaar is, maar dat het kind toch niet verder komt. Waarschijnlijk kwam het 'geklemde hoofd' slechts 100 maal per jaar voor, ofwel bij slechts 1,7 % van alle bevallingen. Tegenwoordig wordt dan een vacuümextractie verricht. Er wordt een zuignap op het hoofdje van het kind geplaatst en door daaraan te trekken wordt het kind alsnog geboren. In de tijd van Ruysch bestaat dat niet. Er bestaat wel een geheim instrument. Dit zogeheten Roonhuijsiaans geheim moet worden gekocht voor heel veel geld. Ruysch heeft dat instrument. Hij heeft het ook gebruikt en heeft er ook wel eens succes mee gehad. Hij deed mee aan de geheimhouding en heeft ook goed verdiend aan de verkoop van het geheim. Bekijk in Museum Boerhaave in Leiden drie varianten van het instrument.

Negentien vragen

In het Gemeentearchief van Amsterdam wordt een lijst met 19 vragen bewaard. Het is een examen voor vroedvrouwen uit 1700. De problemen bij bevallingen zijn niet heel veel anders dan nu. Normaal wordt eerst het hoofd van een kind geboren en daarna de romp en benen. Eén van de vragen is: 'Als eerst de beentjes of de stuit wordt geboren, hoe dan te handelen?'. De vroedvrouwen kunnen dat zelf oplossen door het gebruik van enkele handgrepen, maar het kwam ook voor dat een vroedmeester te hulp werd gevraagd. Een bevalling kan plaatsvinden doordat de baarmoeder krachtige samentrekkingen (weeën) heeft. Als die niet krachtig genoeg zijn wordt van weeënzwakte gesproken. Nu worden daarvoor zeer werkzame geneesmiddelen gebruikt, toen werd een clysma (toedienen van een vloeistof via de anus) van zeer ingewikkelde samenstelling gebruikt. De vraag van examen is dan ook: 'Wanneer en hoe moet men de weeën stimuleren?'.

Wat te doen met een incomplete moederkoek?

Normaal wordt eerst het kind geboren, de navelstreng wordt afgebonden en doorgeknipt en meestal binnen een half uur wordt de nageboorte (moederkoek of placenta) geboren. Een niet compleet geboren placenta kan oorzaak zijn van veel bloedverlies en infecties. De wet van 1704 schrijft niet voor niets voor, dat als volgens de omstanders (familie en buren) de placenta niet compleet is, de vroedvrouw wordt verplicht de placenta eerst te tonen aan een arts, voordat zij kan worden weggedaan. In die tijd is er een levendige discussie over hoe om te gaan met de nageboorte; afwachten of er maar snel uithalen (met de hand). Een andere beroemde man Van Deventer is voorstander van het direct uithalen van de nageboorte, maar Ruysch verdedigt een afwachtende houding, die wel uren of zelfs dagen kan duren. De natuur zal het wel oplossen. Ruysch heeft zelfs een bijzondere spier ontdekt aan de binnenkant van de baarmoederwand, de 'musculus orbicularis', de ronde baarmoederspier, die volgens hem diende voor het uitpersen van de nageboorte. Die waarneming van Ruysch is daarvoor en daarna nimmer door anderen bevestigd.

Ruysch verhoogde de vakbekwaamheid

Het was nieuw dat Ruysch, een gestudeerd arts, vroedvrouwen onderwijs gaf en hun examineerde. Nieuw was ook vervolgonderwijs voor reeds gevestigde vroedvrouwen. Ruysch beschermde leerlingen. Zij mochten niet zelfstandig een bevalling doen. Door Ruysch kreeg het publiek meer inspraak. Het oordeel van het publiek over de al dan niet compleetheid van de nageboorte telde. IJdelheid was hem niet vreemd (denk aan zijn unieke spier) en geld was belangrijk voor hem (denk aan de verkoop van zijn verzameling en denk aan de verkoop van het verloskundig geheim).

Otto P. Bleker, emeritus hoogleraar gynaecologie en verloskunde, Universiteit van Amsterdam


Chirurgijn ontvangt een rij patienten. Links een kast met medische instrumenten en rechts vakken met verbandmiddelen. Op de achtergrond wordt een sectie verricht.